Je hebt reizigers en Reizigers. En Dirk Wynants is zo’n reiziger hors catégorie. Jarenlang sliep hij tot 120 nachten per jaar in een hotel en deed hij zijn tour van de wereld. Van Moskou of Kaapstad naar Japan of Australië tot Dubai of Singapore. Met een ommetje USA. “Ooit ben ik eens in oostelijke richting blijven vliegen tot ik weer thuis was.” Travel Talks met een hardwerkende West-Vlaming die eigenlijk een Kempenzoon is.
Hoe zagen je eerste reizen eruit?
“Die staan in mijn geheugen gegrift. Ik was 6 jaar en we gingen met de auto naar een huurhuisje in de Ardennen. Dat diende vooral als voorbereiding want het jaar daarna vertrokken we met diezelfde auto én een tent. Het begin van mijn kampeerjeugd. Tent, kampeerwagen, caravan. In die volgorde. En toen ik te lang werd om binnen te slapen, belandde ik terug in een tent naast de caravan. Een waaruit ik trouwens elke nacht ontsnapte. Mijn moeder was nogal beschermend, tot mijn 30ste bleef ik dus binnen Europa. Verder reizen was geen optie want die overbezorgdheid zou haar in de psychiatrie doen belanden, zo zei ze. Eerlijk, ik ben grotendeels met deze business gestart om te kunnen reizen. En van meet af aan was duidelijk dat ik internationaal wou gaan, kwestie van zo de wereld te zien.”
Je reist met een doel, maakt dat een verschil?
“Absoluut! Je bent geen toerist, eerder een collega. Dus zie je vooral locals en dat zijn de beste gidsen. Door de jaren heen, sommige ken ik al 20, 30 jaar, worden dat vrienden, soms zelfs zielsverwanten, bij wie je op bezoek gaat. En dan beleef je zotte avonturen. Zo vloog ik met een leverancier in zijn ULM boven Tafelberg en dan zie je hoe mensen er écht leven. En mijn Japanse agente weet ondertussen dat ik telkens nieuwe ervaringen wil opdoen. Ze noemt dat een van de grootste uitdagingen in haar job. Ik wil gevoed worden in mijn nieuwsgierigheid. En zo belanden we dan op een sumotraining of slaap ik in een eeuwenoude, maar weinig luxueuze minka in Kyoto op een futon. Pal naast het rijstveld, ik heb sindsdien nooit meer betere rijst gegeten. Ik ontbijt amper, maar in Japan smul ik elke ochtend.”
Zijn er plekken die je wereld veranderd hebben?
“Elke plek heeft zijn invloed en hoe verder je gaat hoe interessanter het vaak wordt. Als je dagelijks hetzelfde doet, zonder variatie, onthoud je niets. Als je 30 jaar gaat skiën, loopt alles in elkaar over. Maar doe je telkens iets anders, dan beleef je iedere keer nieuwe avonturen en verzamel je écht herinneringen. En ik heb die nieuwe impulsen nodig. Mijn inspiratie komt niet uit designboekjes, ik moet naar buiten.”
Ooit zo’n sterke connectie gevoeld dat je wou verhuizen?
“Dat is bijna standaard het geval. Een keer hebben we het serieus overwogen. Ik was in Brazilië om er tropisch hout aan te kopen en reisde van Sao Paolo tot helemaal in het zuiden. Daarna volgde er nog een prinselijke missie, waar ik onder lichte dwang aan deelnam, en zo ontdekte ook mijn vrouw het land. En zij was zeer gecharmeerd door de trotse, zelfzekere manier waarop de Braziliaanse vrouwen in het leven staan. Onze kinderen waren nog net jong genoeg, ik kon er onze productie opstarten en zat zo meteen ook een stuk dichter bij de Amerikaanse markt. Alles zat mee. Maar 4 dagen voor we een laatste keer daarheen wilden vliegen, hebben we de boerderij gekocht waar we sindsdien wonen. Plots stonden we op een tweesprong en we zijn in de Westhoek gebleven. Ik heb er geen spijt van, we hebben hier al mooie tijden beleefd.”
Welke bestemming is zwaar onderschat?
“Het klinkt misschien contradictorisch, maar ons eigen land. We klagen er graag over, het weer valt soms wat tegen en er loopt al eens iets mis, maar als je veel reist, besef je maar al te goed dat het overal iets is. We hebben geen giga bosbranden, geen aardbevingen, geen orkanen, onze gezondheidszorg is ongezien in de hele wereld, ons onderwijs is van een hoog niveau en al wie wil, kan verder studeren. Wij vinden dat heel normaal, maar op veel andere plekken is dat niet het geval. Geef mij dus maar een Belgische zomeravond waarop je misschien een trui moet aantrekken, in plaats van binnen zitten bij de airco in Dubai omdat je buiten tegen een warmtemuur botst.”
En je favoriete plek in eigen land?
“Onze boerderij en het open landschap dat we hier geserveerd krijgen, daar ben ik wel verslaafd aan. Eindeloze velden, de Rodeberg, de Kemmelberg, ik ben superverwend. Het was een zeer intense renovatie en ondertussen zijn onze kinderen het huis uit en is de plek te groot, dus logeren er hier vaak buitenlandse klanten of agenten. ‘Tools for Togetherness’ is niet alleen het motto van Extremis, het is ook écht hoe wij in het leven staan. Geen holle slagzin, maar ons DNA. Geregeld organiseren we etentjes met mensen van over de hele wereld en als het een kleine groep is, kook ik zelf. In ons vakantiehuis aan het Comomeer doen we net hetzelfde. We hebben altijd al graag mensen geïnviteerd, dat zit in ons bloed. In Italië is al de helft van het dorp gepasseerd en dat ondanks mijn gebrekkig Italiaans. En als wij er niet zijn, en er logeren geen vrienden, houden 200 dorpelingen een oogje in het zeil.”
Wat inspireert je?
“Ik vertrek vanuit de mens. Daarom is reizen zo belangrijk. Op beurzen kun je nieuwe materialen leren kennen, maar je moet zelf ervaren hoe mensen wereldwijd interactie hebben met elkaar. Dat is mijn voedingsbodem. Want we willen die interactie verbeteren en dat zo goed mogelijk materialiseren. Zodat onze meubelen écht duurzaam worden. Gemaakt uit de juiste materialen en jarenlang intens gebruikt tot ze overgaan naar de volgende generatie. Dat maakt mij content. We focussen niet op trends, we maken tijdloze stukken. Dus brengen we niet elk jaar een nieuw ontwerp uit, ook al vragen beurzen, journalisten en winkels dat. Misschien omdat ik een ontwerper pur sang ben die bijna toevallig ook fabrikant geworden is. Ik moest wel want niemand wou mijn ideeën uitvoeren. Een bedrijf geleid door een ontwerper maakt wellicht andere keuzes. We zullen nooit de grootste worden, maar dat hoeft ook niet. Ik wil mijn goesting doen en het leven leiden zoals ik wil. En ik ben content zonder overmoedig te zijn, want er kan altijd iets mislopen.”
En hoe ziet je bucketlist eruit?
“Nog meer reizen. Ik ben nu 62, we hebben altijd paardgereden en te paard over de Andes trekken, staat al te lang bovenaan onze bucketlist. We gaan wel wat achterstand moeten inhalen, vrees ik. Ik wil ook snel naar het Grand Egyptian Museum in Caïro, misschien komt daar zelfs Extremis meubilair te staan. Binnenkort heb ik er een afspraak. Sowieso vind je onze meubelen op heel wat iconische plekken over de hele wereld en het is telkens hartverwarmend om te merken hoeveel mensen foto’s sturen als ze een van onze ontwerpen opmerken. Dat mensen die verbondenheid ervaren, is echt fantastisch. Dat maakt me misschien nog gelukkiger dan het feit dat onze meubels er staan. Uiteraard ben ik heel blij als onze ontwerpen uitgekozen worden voor dat soort projecten. Maar telkens iemand, zelfs zonder affiniteit met design, iets koopt, word ik echt geraakt. Ik weet dat wij niet goedkoop zijn, ik doe er nochtans alles aan om die prijs onder controle te houden, maar voor veel mensen is dat een serieuze uitgave. Hun aankoop charmeert me daardoor meer dan een groot project.”
En je mama heeft zich ondertussen neergelegd bij je reisavonturen?
“Onze zoon woont in Amerika, een paar jaar geleden was ik er voor Extremis en toen is mijn vrouw me, samen met mijn bejaarde ouders, achterna gereisd. Hun eerste intercontinentale vliegreis. Ik had nog miles en kon hen in businessclass laten vliegen. Dat was memorabel. Op de terugvlucht zat ik naast hen en het was mooi om te zien hoe trots ze waren. Het is dus goed gekomen. Maar als er een bijzondere bestemming op het programma staat, licht ik mijn moeder toch pas in als ik terug ben. Kwestie van op safe te spelen.”


